Ontdek de veelzijdigheid van het Wase erfgoed!

Polderlandbouw

De agrarische geschiedenis van het Land van Waas is een complex maar boeiend verhaal. In de achttiende eeuw bewonderden buitenlandse agronomen en reizigers de regio omwille van zijn hoge rendementen. De jaren 1840 kleurden er dan weer donker na meerdere misoogsten van basisvoedsel. En na de Tweede Wereldoorlog knaagden de Antwerpse haven en industrie beetje bij beetje de vruchtbare poldergrond weg. In deze tentoonstelling focussen we op de landbouw in de polders tijdens de 20ste eeuw, maar hier kaderen we dit in een lange voorgeschiedenis.

De polderlandbouwgronden

Landbouw in de polders strekt zich uit over verschillende delen van het Waasland. In het noordoosten was er het poldergebied rond Doel, Kieldrecht, Verrebroek en Kallo. Meer landinwaarts bestonden bepaalde gedeelten van Sint-Gillis, Vrasene, Beveren, Meerdonk, De Klinge, Melsele en Zwijndrecht bestonden uit polderland. Ten slotte waren er ook de rivierpolders of ‘meersen’ langs de Schelde en Durme. Al deze gronden waren erg geschikt voor landbouw. De inpoldering van de Scheldeoevers startte daarom al in de middeleeuwen. Het was een manier om het land en de bevolking te beschermen tegen overstromingen en om land te winnen op de zee. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog verdwenen een aantal polders als gevolg van militaire dijkdoorbraken. Pas in de zeventiende en de achttiende eeuw werden de polders op een planmatige manier definitief ingepolderd, zoals de St. Annapolder (1614), de Beverenpolder (1619), de Kallopolder (1653) en de Arenbergpolder (1688). Typisch daarbij waren de relatief grote hofsteden met grote opslagschuur, die veel open en uitgestrekt akkerland bewerkten. Tijdens de negentiende eeuw ging de inpoldering verder, met begin 20ste eeuw de Hedwigepolder als de laatste nieuwe grote polder.

Het zuidoosten van de streek – Burcht, Kruibeke, Bazel, Rupelmonde, Steendorp, Temse, Tielrode, Elversele en Haasdonk – had een zeer vruchtbare maar erg vochtige zandlemige bodem. In de bodem bevond zich op geringe diepte immers een ondoordringbare kleilaag, wat leidde tot slechte ontwatering. Daarom werden de akkers opgehoogd tot de zogenaamde “bolle akkers” omzoomd door ontwaterende grachten en bomenrijen. Die grachten mondden op hun beurt uit in bredere watergangen die verbonden waren met kanalen (Stekense Vaart, Moervaart) en rivieren (Durme, Schelde).

Opbrengst

Omstreeks 1600 kon het drieslagstelsel de groeiende bevolking niet meer voeden. De opeenvolging van wintergraan, zomergraan en braak werd geleidelijk vervangen door een systeem van zes- of zevenjarige vruchtopvolging. Ook nijverheidsgewassen werden geteeld in de polders, vooral vlas in het kader van de Vlaamse linnenweverij. Omdat er te weinig weiland voorhanden was, introduceerde de Wase boer daarbij voedergewassen zoals rapen en klaver. De rapenteelt kende zo’n uitbreiding dat bepaalde dorpen de knol als embleem in hun wapenschild opnamen. De ingrepen in waterbeheersing en vruchtopvolging verhoogden de opbrengsten dermate dat het Waasland op agrarisch vlak uitgroeide tot een van de meeste progressieve gewesten van de Zuidelijke Nederlanden en zelfs van Europa. Tijdens de negentiende eeuw werden onder impuls van de hertogen van Arenberg ook nieuwe uitbatingsmethoden ontwikkeld in de Prosperpolder: in plaats van de oude verpachting door lokale boeren werd een sterker centraal gezag uitgeoefend, met als kern vier grote en deels mechanisch uitgeruste polderhoeves. De successen waren wisselend.

Veranderingen vanaf de negentiende eeuw

De landbouwsector in het Waasland kende pas op het einde van de negentiende eeuw een grondige wijziging. Tijdens de eerste helft van de eeuw was ongeveer 60 % van de gezinshoofden werkzaam in de landbouw. Daarna nam dit aandeel langzaam af en vulde men het inkomen vaker aan met andere beroepsactiviteiten. Heel wat landarbeiders konden aan de slag in de nabijgelegen polders - in plaats van op een eigen boerderij - of gingen werken in de vlasbewerking, klompenmakerij, mandenmakerij, kantnijverheid en vellenbewerking.

Vanaf 1870-1880 overspoelde goedkoop graan uit de V.S.A. en Rusland de West-Europese markten, waardoor de graanboeren op zoek moesten naar alternatieven. Het belangrijkste gevolg was de verdere uitbreiding van de veestapel, die tot na de Tweede Wereloorlog bleef groeien. Kunstmeststoffen werden geïntroduceerd en landbouwwerktuigen werden gemechaniseerd. Na de Tweede Wereldoorlog nam de mechanisatie nog sneller toe. Intussen vielen de nijverheidsgewassen bijna volledig weg: de vlasteelt zakte van 10% van het landbouwareaal in de 19de eeuw naar amper 1% in 1950.

Mechanisatie en industrialisering

Vanaf het midden van de twintigste eeuw sloeg de landbouwsector in België en ook in het Waasland voorgoed de weg in van grootschaligheid. Landbouw en voedselproductie evolueerden meer en meer tot een wereldgebeuren, waar de Wase boer steeds minder greep op leek te hebben. Vanaf het einde van de jaren 1960 en begin jaren 1970 werd steeds meer gerationaliseerd: kleine, arbeidsintensieve en weinig rendabele boerenbedrijven dienden te verdwijnen. Uiteraard lokte dit voorstel enorme protesten uit. Bovendien lonkten ook aantrekkelijke en goedbetaalde jobs in de sterk groeiende industrie en dienstensector (onder meer in de nabijgelegen Antwerpse haven).

Het platteland en zeker de weidse polders kregen ook andere dan louter landbouwgeoriënteerde functies toebedeeld. Recreatie en toerisme waren daar zeker een belangrijk element in. Al tijdens het interbellum staken Antwerpenaren (onder meer via Lillo) tijdens zomerse weekends of op verlofdagen de Schelde over om te genieten van het rustige Wase platteland en dan vooral de pittoreske Scheldedorpen en dijkgehuchten. Uiteraard nam vanaf de jaren 1950 en 1960 het dagjestoerisme verder toe, parallel met de ontwikkeling van het Scheldetoerisme.

De grootste bedreiging voor de Wase landbouw na 1950 was ongetwijfeld de uitbreiding van de Antwerpse haven. De eerste plannen voor de havenexpansie op de linkeroever van de Schelde dateren uit de jaren 1960. Deze expansie beloofde heel wat jobs voor het Waasland, dat toen op sociaal-economisch vlak worstelde met tal van problemen en een hoge werkloosheid kende. Vanaf de jaren 1970 werden grote delen van het vruchtbare Wase poldergebied onder een dikke laag zand en slib gespoten of verdwenen ze bij het uitgraven van dokken. De werkgelegenheid voor de regio nam fors toe, maar de oude landbowgronden gingen verloren.

Tentoonstelling "Polderlandbouw"

Uit de collecties van de erfgoedbankpartners kunnen we in deze online tentoonstelling een beeld geven van landbouw in de Wase polders tijdens de 20ste eeuw. Een aantal gebruiken zijn intussen alweer verleden tijd. Interviews met polderboeren en -bewoners brengen het oude polderleven nog meer tot leven: boeren kijken met gemengde gevoelens naar het hard labeur, lange dagen, spelen op het veld en de veranderingen die mechanisatie en schaalvergroting met zich meebrachten.

(Tekst op basis van de bijdrage van Brecht Demasure en Yves Segers aan “Van Brouck tot Dyckagie – Vijf eeuwen Wase polders”, Sint-Niklaas, verschijnt 2012)

Bekijk tentoonstelling
Delen Facebook Twitter Delicious Send to a friend