Ontdek de veelzijdigheid van het Wase erfgoed!

Overstroming!

Polders en overstromingen gaan hand in hand. De laatste decennia blijft het Waasland grotendeels gespaard van omvangrijke wateroverlast, maar eeuwenlang was het komen en gaan van de rivier – en daarmee ook het vernietigen en heropbouwen van dijken en landbouwgebied – een vanzelfsprekend onderdeel van het polderleven. Hieronder plaatsen we deze in hun historische context.

Verschillende soorten overstromingen

Er bestaan twee soorten overstromingen. Als het bijzonder hard regent zwellen de rivieren en de stromen aan en dan treden ze soms buiten hun oevers. Aanpalende weilanden en akkers maar soms ook woonwijken lopen dan onder water. Meestal duurt zo’n overstroming maar enkele uren of dagen. Dit soort overstromingen komt de laatste jaren meer en meer in de belangstelling, onder meer omdat nogal wat woonwijken in laaggelegen gebieden werden toegelaten. De bekendste en omvangrijkste dreiging van overstroming van deze soort in onze omgeving is allicht die van het gebied Rivierenland (Rijn-Maas-Waal) eind januari 1995 in Nederland. Vanwege de gevaarlijke hoogwaterstand werden daar toen 250.000 mensen en complete veestapels geëvacueerd.

Een tweede soort overstroming wordt veroorzaakt door eb en vloed. Het vloedwater loopt bij hoogtij over de dijk op het land. Als het water lang genoeg over de dijk stroomt, vreet het de uit aarde en klei opgebouwde dijk aan de landzijde aan, waardoor deze uiteindelijk begeeft. Dan spreekt men over een dijkbreuk. Een dijkbreuk kan ook optreden door het plots afscheuren van de dijk, bijvoorbeeld omdat de zandlaag wegschuift van de onderliggende kleilaag of omdat de (stenen) dijkmuur het plots begeeft onder de drukkende watermassa.

Historicus Rijkhard Van Gerven uit Beveren maakte voorts ook een onderscheid tussen een bres en een stroomgat. Bij een bres blijft de aangevreten dijk hoog genoeg om het vloedwater bij het volgende hoogtij in de rivier te houden. De overstroming blijft dus beperkt tot het tijdens het stormtij onder water gelopen gebied. Bij een stroomgat echter is de dijk zodanig aangetast dat bij ieder hoogtij water op het land loopt en bij eb water terug naar de stroom of rivier loopt. De ervaring uit meerdere overstromingen leert dat een stroomgat oorspronkelijk meestal maar een tiental meter breed is maar door het spel van eb en vloed op enkele dagen tijd tot een breedte van meer dan honderd meter kan uitgroeien. Het overstroomde gebied breidt bij iedere vloed, dus ongeveer om de 12 uren, uit. Het overstroomde land eventueel met inbegrip van woonwijken wordt weken- of maandenlang een onderdeel van de stroom, dus onderhevig aan eb en vloed.

De grote middeleeuwse overstromingen

Overstromingen door vloedwater langs de Schelde en de  Durme in het Waasland komen maar vanaf omstreeks het jaar 1150 voor. Voordien kenden de Westerschelde en de Durme immers nog geen getijdenwerking. Het waren smallere waterlopen die het regenwater naar zee afvoerden. Door de opkomende getijdenwerking en meerdere stormvloeden kreeg de Honte of Westerschelde meer en meer het uitzicht van de zee. Ze werd breder en breder en verplichtte de aanpalende bewoners dijken te bouwen. Hele dorpen “verdronken” tijdens rampzalige overstromingen. In de omgeving van Beveren werden de eerste dijken op het einde van de twaalfde eeuw gebouwd. Omstreeks 1240 nam de steeds dieper in het land dringende getijdenwerking het stukje Durme in dat gelegen was tussen de huidige monding en de oorspronkelijke monding in Temse. Dat stukje Durme werd de nieuwe loop van de Schelde. Als aandenken bleef de veel smallere oorspronkelijke “Oude Schelde” in Bornem achter.

De grote springvloeden, die overstromingen veroorzaakten en de getijdenwerking steeds dieper in het land lieten dringen, kregen meestal de naam van een heilige of een feestdag. Voorbeelden zijn de Sint-Julianavloed (1164), de Allerheiligenvloed (1170), de Clemensvloed (1334), de Vincentiusvloed (1393), de Elisabethvloed (1424), de Sint-Felixvloed (1550) en een tweede Allerheiligenvloed (1570). Toen al wist men dat het overstromingsgevaar het grootst was bij springvloed en noordwestenwind.

Militaire onderwaterzetting

Vanaf 1584 volgden in het kader van de tachtigjarige oorlog jarenlange meerdere strategische onderwaterzettingen (zogenaamde “inundaties” in het Belgische militaire jargon). Zowel aan Spaanse als aan Hollandse zijde van wat nu de grens is, werden grote stukken land onder water gezet om troepenbeweging onmogelijk te maken. Niet voor niets loopt een groot deel van de huidige landsgrens over een dijk (de Koningsdijk). Het laagland van Beveren en omgeving werd binnen de eeuw opnieuw ingedijkt, maar Saeftinge en andere gebieden in Zeeland bleven voorgoed onder water staan. Ook rond Dendermonde werden uit militaire overwegingen meermaals laaggelegen gronden onder water gezet.

Overstromingen in de moderne tijd

Ook na de tachtigjarige oorlog werden het Waasland en omgeving nog door overstromingen getroffen. Zo liepen in 1715 de polders van Bazel, Rupelmonde en Kruibeke onder water. Ook o.m. Tielrode, Grembergen en de “Peerdeschor” in Doel, waar nu de kerncentrale gevestigd is, “dreven”. De overstroming van 1825 trof vooral de gemeenten Grembergen, Moerzeke, Hamme, Hingene en Wintam en veegde daar het gehucht Natten-Haasdonk van de kaart. De onafhankelijkheidsstrijd ging in 1831 gepaard met onderwaterzettingen, door de Nederlanders, van Kallo en omgeving. Ook de beide wereldoorlogen gingen gepaard met het strategisch onder water zetten van laaggelegen gebieden in het Waasland om het landen van vliegtuigen of de doorgang van tanks onmogelijk te maken.

De grote rampen van de 20ste eeuw: 1906 tot 1976

Op 12 maart 1906 liepen langs de Schelde en zijn bijrivieren zowat alle laaggelegen gebieden onder water, stroomopwaarts tot voorbij Dendermonde. Meest ingrijpend was de overstroming in Melselepolder tussen Kallo en Melsele, het Schousselbroek tussen Steendorp en Temse, Tielrodebroek en de gemeenten Hamme, Moerzeke en Grembergen. Die gebieden stonden maandenlang onder water en waren onderhevig aan eb en vloed. In Melsele verdronken drie mensen. Moerzeke evacueerde honderden bejaarden en kinderen om besmettelijke ziekten te voorkomen.

Datzelfde overkwam Hamme, Moerzeke en Grembergen na de stormvloed van 25 november 1928. De overstroming van november 1936 langs de Durme was rampzalig voor de gemeenten Waasmunster, Hamme en het noordelijk gedeelte van Zele.

Recenter is de stormvloed van 1 februari 1953, de zogenaamde Sint-Ignatiusvloed. Hoewel vooral Nederland slachtoffer van deze overstroming werd, liepen in ons land langs de Schelde, Durme, Rupel, Dijle en Nete 20.000 ha land en 8.000 woningen onder water. Een 15-tal mensen verloor het leven waaronder twee in Elversele. In het Waasland was Melselepolder het zwaarst getroffen door de dijkbreuk aan Pijp Tabak waar het stroomgat uitgroeide tot een breedte 135 meter. Het duurde tot eind april voor Kallo opnieuw watervrij was en pas op 25 juni was het stroomgat gedicht.

De laatste grote overstroming had op 3 januari 1976 plaats. De stormwind zwiepte het zeewater twee tot drie meter boven het astronomisch getij. Ruisbroek liep onder water. In Vlaanderen liepen 2.850 ha land en 1.750 woningen onder water. De overstroming kostte één mensenleven. Dat deze “major stormsurge” niet meer schade veroorzaakte wordt toegeschreven aan vergevorderde voltooiing van de Deltadijken in Nederland op dat ogenblik.

Oplossingen

Na de overstroming van 1976 besliste de Belgische regering met het Sigmaplan o.m. om de dijken te verhogen, iets wat nog altijd niet is afgewerkt. Nederland besliste dat al na de overstroming van 1953. Dat was 523 jaar na het bevel van Filips de Goede uit 1430 om, als les uit de Sint-Ignatiusvloed, de dijken in het zuidoostelijke Westerscheldegebied met inbegrip van het Beverse met meer dan één meter te verhogen. Intussen probeert het aangepaste Sigmaplein o.m. via overstromingsgebieden het stormvloedwater in oppervlakte te spreiden.

Dijken werden gebouwd en/of hersteld met klei, zand, stenen, zandzakken, rieten matten, oude met stenen geladen tot zinken gebrachte schepen en zelfs met (Antwerps) huisvuil. Dijken bouwen en onderhouden was tot 1906 een aangelegenheid van de aangelanden. Pas in 1906 voerde de staat met tegenzin voor het eerst dijkwerken op zijn kosten uit.

Relicten in het landschap

De overstromingen drukten hun stempel op het landschap. Door het aanhoudende gevecht tussen het vloedwater en de indijkende mens zijn dijken meestal geen rechte lijnen. Overstromingen gingen gepaard met het spoelen van diepe putten landinwaarts van de dijken. Na een dijkbreuk werden nieuwe dijken aangelegd, ofwel op de plaats van de oude dijk, ofwel landinwaarts ofwel op een schor aan de andere zijde van het geslagen wiel. Dergelijke wielen treft men in overvloed aan langs het Schousselbroek in Temse maar ook stroomopwaarts Driegoten in Moerzeke. Sommige van de wielen aan Driegoten liggen niet langs de huidige dijk, maar wel landinwaarts langs de vroegere hoofddijk. Verderop langs de Schelde passeert men drie ruim 5.000 vierkante meter grote wielen uit 1906 en de anderhalve ha grote “Gespoelde Put” uit 1928. Landinwaartse ringdijken rond een wiel vindt men o.m. in Kastel maar ook in Sombeke. De Schelde en de Durme vulden of vullen deze wielen op met slib, waardoor ze tot schor en natuurgebied evolueren. Andere “overblijfselen” van overstromingen zijn o.m. de ingemetselde stenen die de hoogte van het vloedwater in 1906 en 1953 aanduiden op de Wilfordkaai in Temse, het graf van de drie in 1906 verdronken personen op de begraafplaats van Melsele, foto’s, postkaarten, schilderijen, tekeningen, kranten- en tijdschriftartikels en memoires.

(tekst: Hugo De Looze)

Beknopte literatuurlijst

AUGUSTIJN, B. (1992) Zeespiegelrijzing, transgressiefazen en stormvloeden in maritiem Vlaanderen tot het einde van de 16de eeuw, Algemeen Rijksarchief Brussel.

BRAND, K.J.J. (1993) “De ontwikkeling van het polderlandschap in de Vier Ambachten en omringend gebied”, in: Over den Vier Ambachten, pp. 41-60.

DE KRAKER, A.M.J. (red.) (2002) De Westerschelde, een water zonder weerga, Kloosterzande.

DE LOOZE, H. (2010) Maandagavond 12 maart 1906, dodende overstromingen langs de Schelde – Lessen om het overstromingsgevaar te beperken, Hamme.

REYN, E. (2007) Rijk polderland verdwenen onder baggerzand. Chronologische analyse van de linkeroever polderannexaties, Wommelgem.

VAN GERVEN, R. (1977) De Scheldepolders van de Linkeroever (Land van Waas en Land van Beveren) – Bijdrage tot de geschiedenis van natuur – land – volk, Beveren.

VAN STRYDONCK, M. & DE MULDER, G. (2000) De Schelde verhaal van een rivier, Leuven.

Bekijk tentoonstelling
Delen Facebook Twitter Delicious Send to a friend